Inleiding

Laten we eerst even stilstaan bij wat we nu precies onder inheems, verwilderd, ingeburgerd, uitheems, cultivar e.d. verstaan. Tevens vermelden we alvast enkele inleidende overwegingen bij het gebruik van deze termen.

1. Inheemse en ingeburgerde soorten

De soorten die zich in Nederland na afloop van de laatste grote ijstijd (11.700 jaar geleden) op eigen kracht zonder tussenkomst van de mens vestigden, noemen we 'oorspronkelijk inheems'.

In deze periode werden uiteraard ook uitheemse planten (exoten) bewust of onbewust ingevoerd in Nederland. Soms konden deze uitheemse soorten verwilderen of zelfs inburgeren.

Gebeurde dit vóór 1492* dan noemen we deze planten archeofyten (Grieks voor 'oude plant') en worden doorgaans als 'inheems' beschouwd, nét even verschillend van oorspronkelijk inheems.

Gebeurde dit ná 1492* dan noemen we ze neofyten (Grieks voor 'nieuwe plant'). Neofyten behoren tot de 'ingeburgerde planten' als ze zich al minstens drie generaties lang in de natuur hebben weten te handhaven. Veel Nederlandse floristen (bijvoorbeeld Stichting FLORON) beschouwen ook de ingeburgerde soorten als inheems.

* Als grens werd 1492 genomen, omdat algemeen aanvaard wordt dat rond deze periode de Middeleeuwen eindigen. Daarna komt er veel meer technologie ter beschikking van de mensen en wijzigt het landschap.

2. Uitheemse soorten

Alle wilde planten die niet inheems of ingeburgerd zijn, maar in hun oorsprongsgebied buiten Nederland als wilde plant voorkomen, zijn uitheems (exoot). Het betreft dus altijd de botanische (wilde) vorm. 

Helaas wordt de term exoot vaak in één adem genoemd met "invasief'. Er wordt dan gesproken over "invasieve exoten", uitheemse soorten die zich als plaag kunnen ontwikkelen. Dit wordt nogal eens verkeerd geïnterpreteerd alsof elke exoot invasief zou zijn.
Dat is beslist niet zo. Lang niet iedere plant die van oorsprong hier niet hoort ('exoot is') is invasief. Sterker nog, als je om je heen kijkt, zowel in tuinen, als in bossen, als in de landbouw, is het grootste deel van wat je ziet een exoot, die gelukkig helemaal niet invasief is. Er zijn veel exoten die als nuttig én veilig worden beschouwd en soms zelfs een meerwaarde bieden voor de insecten in je tuin en voor de biodiversiteit. 

Anders gezegd: de meeste uitheemse soorten veroorzaken geen problemen, bijvoorbeeld omdat ze zich in ons klimaat niet blijvend kunnen vestigen. Anderen weten zich wel te vestigen, maar groeien niet uit tot een plaag, richten geen schade aan of zijn zelfs nuttig.

Een kleine minderheid van deze uitheemse soorten hebben door hun massale uitbreidingsdrang wél een negatieve invloed op de natuur en de biodiversiteit. In dat geval spreken we van een ‘invasieve uitheemse soort’ of 'invasieve exoot'. In Nederland zijn 22 invasieve exoten bekend, denk bijv. aan reuzenberenklauw, reuzenbalsemien en Japanse duizendknoop (Reynoutria japonica). Overigens moet deze laatste weer niet verward worden met de duizendknoop (Persicaria), een voor de tuin goed bruikbaar plantengeslacht.

Tegelijkertijd kunnen sommige inheemse soorten ook behoorlijk invasief zijn. Zevenblad bijvoorbeeld is inheems. De beuk (inheemse boom) drukt, anders dan de (uitheemse) lindeboom, alle andere bomen en planten weg, wat niet bepaald leidt tot biodiverse bossen. De inheemse Symphytum officinale ('gewone smeerwortel') verspreidt zich veel sneller dan de Russische (Symphytum ×uplandicum). De inheemse wilde marjolein (Oreganum vulgare) is een enorme zaaier, verwante uitheemse soorten en cultivars ervan gedragen zich veel minder invasief.

De term invasief is dus zeker niet voorbehouden aan de exoten! 

Lees meer over onze benadering bij het gebruik van inheemse planten, uitheemse planten en cultivars bij "practische adviezen bij het inrichten van je tuin".

3. Cultivars en natuurlijke variëteiten

Wilde planten passen zich aan de veranderende omstandigheden aan. Dat is een natuurlijk proces om de kans op overleving van de soort te vergroten. In de natuur ontstaan er zo 'als vanzelf' diverse variaties binnen een soort die naast elkaar leven. Als er plotseling iets verandert zal de ene spontane variëteit wat meer aangepast zijn dan de andere en daarmee beter kunnen overleven. 

De mens kan nu deze natuurlijke variëteit bewust gaan vermeerderen, bijvoorbeeld door stekken of scheuren (vegetatief). Daarmee zal elke volgende plant exact dezelfde genetische eigenschappen hebben als de moederplant waarvan het vermeerderd is. 

Daarnaast kennen we de cultuurvariëteiten, kortweg cultivars.
Hierbij gaat het om een plant die op grond van een bepaalde gewenste eigenschap geselecteerd is. Deze cultivars kunnen dan een verlengde bloeitijd of een mooiere kleur hebben, toleranter wat betreft standplaats, minder woekerend, beter winterhard of resistenter tegen ziektes zijn (bijv. meeldauw). 

Er is weinig tot niets (wetenschappelijk) bekend of een cultivar van een inheemse soort even goed of slechter is voor de bijen- en vlinders als de oorspronkelijke inheemse soort.
Of een cultivar goed of slecht is voor insecten hangt erg af van de specifieke eigenschap van die cultivar. Als de bloem dubbel is hebben insecten er niets aan. Meeldraden en stampers zijn namelijk omgevormd tot kleurige bloembladeren. Er is dus geen stuifmeel en geen nectar en daarmee zijn deze planten voor insecten dus waardeloos.

Niet dat je geen gevuldbloemige Dahlia's of volle rozen in je tuin mag zetten, zeker wel: het oog wil ook wat en ieder mens heeft zo z'n voorkeuren. Maar je zou - als je deze voor insecten waardeloze planten gebruikt - dit kunnen compenseren door ook bewust enkele (inheemse) waardplanten of insectvriendelijke planten in je tuin op te nemen. We hebben ze overzichtelijk voor je op een rijtje gezet. 

4. Waard- en drachtplanten

Waardplanten zijn in feite alle planten die de functie van gastheer vervullen. Het woord "waard" stamt af van de gastheer in een herberg, hij verzorgt eten, drinken en onderdak voor de bezoeker. 
Vlinders bijvoorbeeld leggen er hun eitjes op en deze waardplanten zijn daarmee van cruciaal belang voor de voortplanting en dus het behoud van de verschillende vlindersoorten. Ook de rupsen leven er vervolgens van. Ze zijn dus onmisbaar in een vlindervriendelijke tuin.
Op onze website vind je een lijst met waardplanten uit ons assortiment (klik hier).

Een drachtplant is een plant die in de vorm van nectar en pollen (stuifmeel) voedsel levert aan insecten. Vooral bijen maar ook hommels en sommige wespensoorten verzamelen pollen van de drachtplant om te voeren aan hun larven. Vlinders voeden zich voornamelijk met nectar uit bloemen. Ze eten ook stuifmeel, maar slechts in mindere mate. Drachtplanten vinden we zowel onder de inheemse als uitheemse planten.

In bijv. deze folder van Landschap Noord-Holland vind je tips voor het maken van een bijenvriendelijke tuin.